×
Home Collectie Events Over ons Contact

Paar Delfts aardewerk tafelkandelaars, ca. 1678-1686



Paar Delfts aardewerk tafelkandelaars, ca. 1678-1686

Deze zuilkandelaars op een ronde afgeplat bolvormige voet met nodus en schacht zijn beschilderd met een chinoiserie decor met voorstellingen van chinezen in een landschap met bomen en struiken. De kandelaars ontlenen hun vorm aan Europese modellen van zilver, die omstreeks 1650 voor het eerst verschenen. Het model zou vervolgens zeer populair worden. Gedurende de hele tweede helft van de zeventiende eeuw werd dit type kandelaar in verschillende varianten en materialen vervaardigd. Zo waren er kleine en grote kandelaars, al dan niet met gelobde voeten of getorste schachten, in zilver, tin en messing, maar ook in wit en beschilderd Delfts aardewerk en simpel loodglazuur aardewerk.

Soms vormden kandelaars een onderdeel van een toiletservies, meestal waren deze dan echter een maat kleiner. Bij het zilveren toiletstel uit 1653-1658 dat in Den Haag werd vervaardigd voor Veronica van Aerssen van Sommelsdijk, nu in het Kunstmuseum in Den Haag, hebben ze slechts een hoogte van 16,5 cm. Ook op schilderijen van Gerard Ter Borch is dit model kandelaar meer dan eens afgebeeld in zijn zilveren verschijning.
Kandelaars werden altijd in één of meer paren vervaardigd en vervolgens aangeboden. Op de loterijprent van Durgerdam uit 1689 is de vijfde prijs een paar zilveren kandelaars van dit model met een waarde van 100 gulden.

Deze grote Delftse tafelkandelaars werden in het laatste kwart van de zeventiende eeuw even hooggewaardeerd als hun zilveren evenknie. In een lofdicht op het kasteel Roosendaal uit 1700 wordt een geschenk van koningin Mary Stuart aan de bewoonster Johanna Margaretha van Arnhem geroemd:
Al wat men by en op een tafel heeft te setten
Is hier van porcelein: Een koelbak en lampetten
Veel schotels, groot en klein, vier arremkandelaars,
En and’re, die men set op tafel met een kaars,
Sout-,Suyker-, peper-vat, geen lepels uitgesondert,
 En wat dan huisraad eyscht: so dat sich elk verwonderd
Der Fraaje vinding, meer dan om de Delffsche konst,
Die in dit proeffstuk blykt van ’s Koninginnes gonst
(noot 1.).

De ‘Delftse Konst’, het 'porcelein' op tafel was een geschenk van de koningin, die zich in haar paleizen met Delffse Porceleyne in allerlei vormen had omringd. Het werd in de hoogste kringen hogelijk gewaardeerd, alom geprezen en bij bijzondere gelegenheden op een met mooi damast gedekte tafel ook daadwerkelijk gebruikt. Niet alleen dit fraaie gedicht, maar ook de maatvoering van dit paar vroege kandelaars duidt op een gebruik op de eettafel.
Deze kandelaars zijn vervaardigd bij de Grieksche A onder Samuel van Eenhoorn. Hij had de fabriek, die door zijn vader in 1658 was opgericht in 1678 als huwelijksgeschenk van zijn ouders gekregen, maar vermoedelijk heeft hij voordat hij als principaal het bedrijf overnam, een aantal jaren meegeholpen om het plateelbakkersvak door en door te leren kennen. De jonge meester-plateelbakker heeft de fabriek slechts zeven jaar als eigenaar-bedrijfsleider beheerd. In 1685 is hij al overleden. Zijn initialen, die in die periode het fabrieksmerk vormden, werd nog ruim een jaar door de fabriek gevoerd. In 1687 verkocht de weduwe van Samuel de fabriek aan haar zwager Adrianus Kocx. Veel objecten uit de periode onder Samuel van Eenhoorn zijn net als deze kandelaars gedecoreerd met chinoiserie motieven. Het donkere blauw van de beschildering en de verschillende kleurnuances in het blauw duiden op een ontstaan in het begin van de periode van zeven jaar waarin Samuel van Eenhoorn het beheer over de fabriek had.

Van dit grote model kandelaar zijn maar zeer weinig exemplaren in Delfts aardewerk bewaard gebleven. Een belangrijke oorzaak voor deze zeldzaamheid moet zijn geweest de wijze waarop deze kandelaars in Delft zijn vervaardigd. Net zoals men dat bij zilveren kandelaars gewend was om te doen, is de stam los van de voet vervaardigd. In Delft werden de voet en de holle schacht met zijn forse nodus vrij uit de hand gedraaid en vervolgens aan elkaar gezet. Bij zilver werd dat met soldeer gedaan, bij aardewerk werden de onderdelen met kleipap ‘gelijmd’. Deze makelij zorgt voor een zwakke verbinding tussen voet en stam, die ervoor heeft gezorgd dat tijdens het fabricageproces, in het bijzonder bij de biscuitbrand, vermoedelijk al veel kandelaars verloren zijn gegaan. De kandelaars die met tinglazuur bedekt, fraai zijn beschilderd en daarna nog eens zijn gebakken, zijn over heel Europa afgeleverd. Tijdens het gebruik, denk aan een keer wat te hard neerzetten of het verwijderen van kaarsvet na het diner, zal het overgrote deel van wat er ooit is geproduceerd en bij een voorname klant op tafel terecht is gekomen, in de loop der eeuwen zijn beschadigd, gebroken en tenslotte zijn weggegooid.

Paren van deze kandelaars moeten om bovengenoemde redenen in de afgelopen 350 jaar zeer zeldzaam zijn geworden. Aan ons is geen paar van deze afmeting en deze vorm uit de tweede helft van de zeventiende eeuw bekend. In onderstaande opsomming zijn slechts ronde kandelaars opgenomen, met een minimale hoogte van 20 cm, die voor ca. 1700 zijn ontstaan; het model kandelaars à la financière en enkele kleinere exemplaren van voor 1700 zijn in onderstaand overzicht weggelaten.

Een enkel exemplaar, SVE gemerkt, met chinoiseriedecor bevindt zich in het Kunstmuseum Den Haag,  hoogte 25,7 cm (inv.no. OC(D)1-1965).
Een tweede los exemplaar, SVE gemerkt, met een gelobte voet en een gecanneleerde stam staat in het Rijksmuseum, hoogte 25,5 cm  (inv.no. BK-1958-22).
Een enkel exemplaar SVE8 gemerkt met een decor van bloemen bevindt zich in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, hoogte 25,7 cm (inv.no. Ev.626).
Twee paar, LvE gemerkt, met getordeerde stam en een decor van kleine bloemen, kort na 1700 bevinden zich in Paleis het Loo hoogte 20 cm (inv.no.  RL 978 1-2, RL 6368 1-2).
Een ongemerkte vroege kandelaar, te dateren omstreeks 1660, bevindt zich in de verzameling van het Rijksmuseum. Dit exemplaar met een later bijgevoegde bobèche heeft een hoogte van 31 cm. (inv.no.  BK-NM-5182).
Een ongemerkte kandelaar bevindt zich in het Museum in Arnhem hoogte 22,5 cm (inv.no. AB 8294).

Noten:
1 Johannes d’Outrein, Roosendaalsche vermaaklykheden of Wegwyser door de Heerlykheit Roosendaal (Amsterdam 1700, 1712, 1718). Het werk is een lofdicht over de pracht en verschillende kunstwerken van kasteel Roosendaal.

Literatuur:
M. Van Aken Fehmers, Delfts Aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product, Zwolle 1999, p. 96.
J.D. van Dam, Delffse Porceleyne, Dutch delftware 1620-1850,  Zwolle 2004, p. 82.
A.M.L.E. Erkelens, ’s Koninginnes Gonst, Delftse vazen van Mary Stuart’, Antiek 23e jaargang no. 3 (1988), pp. 88-92.
A.M.L.E. Erkelens, Delffs Porcelijn' van koningin Mary II: ceramiek op Het Loo uit de tijd van Willem III en Mary II, Zwolle 1996, pp. 140-142.
J. ter Molen, ‘de loterijprent van Durgerdam’, Antiek 27e jaargang no.3 (1992-1993), pp. 115, 116.

Paar Delfts aardewerk tafelkandelaars, ca. 1678-1686
Prijs op aanvraag
Periode
ca. 1680
Materiaal
Delfts Aardewerk
Signatuur
Beiden gemerkt: SVE en 8, Plateelbakkerij De Grieksche A onder Samuel van Eenhoorn
Afmetingen
25.8 cm
Diameter
19.20 cm

Wereldwijde verzending mogelijk


Ontdek ook


Allegretto Nuzi (1345-1374)
Prijs op aanvraag
Amsterdams Staand Horloge
Prijs op aanvraag
Hollandse Louis XVI Commode
Prijs op aanvraag