Een paar Franse Empire vierlichts kandelabers met gepatineerd bronzen figuren. De vierkante oplopende plint draagt de cilindervormige voet waarop de gepatineerd bronzen figuur in de vorm van een vrouw met gekruiste benen die met de handen boven haar hoofd de kaarsendragers met vier armen torst. De vier armen ontspruiten vanuit een mand gevuld met granaatappels, waarbij de centrale arm recht naar boven reikt, en de andere drie armen zich aan de voor- en zijkanten bevinden.
De vrouwelijke figuur zonder vleugels wordt vaak omschreven als Vestaalse Maagd. In dit geval echter draagt zij geen heilig vuur, maar een mand met granaatappels, hetgeen een verwijzing naar Persephone logischer maakt.
Persephone werd ontvoerd terwijl ze bloemen plukte in een veld. Hades, god van de onderwereld en heerser van de doden, kwam uit een kloof tevoorschijn met een paard en een strijdwagen en sleepte haar met geweld mee. Demeter, overmand door verdriet, zocht haar lange tijd op aarde, speurde vervolgens de sterrenbeelden af en vroeg Helios of hij haar dochter had gezien. Hij antwoordde dat Persephone in de onderwereld bij Hades was. Demeter, machteloos en overweldigd door verdriet, bracht een strenge winter over de aarde, en de mensen leden honger. Uiteindelijk beval Zeus zijn broer Hades om Persephone terug te brengen naar haar moeder. Hades stemde toe, maar Persephone moest nog één laatste maaltijd nuttigen: ze at zes granaatappelpitten. Wanneer men eenmaal iets had geconsumeerd in het dodenrijk, was er geen weg terug. Voor elke granaatappelpit die ze at, moest Persephone een maand in het dodenrijk blijven. Zo verbleef ze elk jaar, in de lente en een deel van de zomer, het seizoen van groei en bloei, bij haar moeder, waarna ze gedwongen terugkeerde naar de onderwereld. De mythe van Demeter, Hades en Persephone kan daarom worden beschouwd als de Griekse verklaring voor het ontstaan en de opeenvolging van de seizoenen. De gekruiste benen van Persephone zouden in dit licht kunnen verwijzen naar haar tweeledige bestaan op aarde en in de onderwereld.
Dit model kandelabers wordt toegeschreven aan Claude-François Rabiat.
Rabiat
Claude-François Rabiat (1756-1815) was een vooraanstaand Parijse bronzier en doreur, wiens vakmanschap aanzienlijk bijdroeg aan de decoratieve kunsten aan het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw. Rabiat, geboren in 1756, begon zijn leertijd bij Etienne Vignerelle in 1769 en bereikte de status van maître in 1778, waarmee hij zich vestigde als meester-vergulder op metalen.
Rabiat werkte vanuit zijn werkplaats in de Rue Beaubourg en stond bekend om de productie van uitzonderlijke vergulde en gepatineerde bronzen werken, waaronder Franse pendules, kandelaars en andere decoratieve voorwerpen. Zijn creaties waren zeer gewild bij vooraanstaande bronziers en Franse pendulemakers uit die tijd, zoals Pierre-Philippe Thomire, Claude Galle en Pierre-Victor Ledure. Rabiat’s samenwerking met deze ambachtslieden bestond vaak uit het leveren van fijn bewerkte bronzen onderdelen die een integraal onderdeel vormden van hun gevierde stukken.
Ondanks zijn samenwerking met leidende figuren uit die tijd, bleef Rabiat vaak achter de schermen, met veel van zijn bijdragen zonder naamsvermelding. Zijn handtekening is echter wel te vinden op bepaalde werken, wat inzicht geeft in zijn rol bij de creatie van deze meesterwerken. Na zijn dood in 1815 werd de nalatenschap van Rabiat voortgezet door zijn zonen, die onder de naam Rabiat Frères werkten voordat ze na 1819 op eigen houtje verder gingen.
Objecten van zijn hand bevinden zich in beroemde collecties, waaronder het Musée Marmottan Monet in Parijs en het Château de Valençay.
Wereldwijde verzending mogelijk