Het schilderij toont een heuvelachtig vergezicht aan de rand van een dorp, met rechts een deel van een huis. De gehele linkerhelft van het schilderij bestaat uit donkergroene bosschage, die door het contrast met de meer gedempte tonen van de heuvels op de achtergrond, het effect van diepte in het vergezicht versterkt.
Het schilderij kan gedateerd worden omstreeks 1907, midden in Friesz’ Fauvistische periode. De achterzijde van het doek is tevens beschilderd en toont een pad dat omhoog leidt naar een bergwand met twee grote lichte vlakken. Het gaat hier om de duidelijk herkenbare Cap Canaille bij Cassis, die meerdere keren terugkomt in het werk van Othon Friesz. Zo werd bij Sotheby’s London in 1999 op 29 juni een werk geveild met dezelfde bergwand, getiteld ‘bord de mer, Cassis’, en gedateerd 1907. Het Musée Regards de Provence in Marseille bezit ook een aquarel met uitzicht op de Cap Canaille, vanuit hetzelfde perspectief, ook gedateerd 1907. Het hier geschilderde landschap, op de achterzijde van de het canvas, moet qua perspectief aan de overzijde van de baai geplaatst worden, aan de voet van de berg, wat ook het steil omhoog leidende pad verklaart.
Achille-Émile Othon Friesz, die zichzelf later Othon Friesz noemde, werd geboren in Le Havre als zoon van een lange lijn scheepsbouwers en zeekapiteins. Hij ging naar school in zijn geboortestad. Tijdens zijn studie aan het Lycée ontmoette hij zijn levenslange vriend Raoul Dufy. Hij en Dufy studeerden in 1895-96 aan de École des Beaux-Arts van Le Havre. Nadat hij in 1898 een beurs van de lokale overheid had ontvangen, vertrok hij naar Parijs. Terwijl zijn vrienden Matisse, Rouault en Marquet studeerden bij Gustave Moreau, schreef hij zich in aan de École des Beaux-Arts in het atelier van Léon Bonnat, waar Dufy zich bij hem voegde. Hij bezocht het atelier echter nauwelijks en ging liever naar het Louvre om kopieën te maken van de werken van Clouet, Veronese, Rubens, Claude Lorraine en Delacroix.
In Parijs ontmoette Friesz Henri Matisse, Albert Marquet en Georges Rouault. Net als zij kwam hij in opstand tegen het academische onderwijs van Bonnat en was een van de medeoprichters van de Fauvisten. De term werd niet door hen zelf bedacht; pas toen criticus Louis Vauxcelles hun werk zag op de Salon des Indépendants in 1905 en spottend het woord fauve (wild dier) gebruikte om het te beschrijven, werd de term geboren. De Fauvisten zouden een grote invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de moderne kunst in de twintigste eeuw en de weg vrijmaken voor het expressionisme in al zijn krachtige verschijningsvormen. De groep zelf viel echter enkele jaren later uiteen.
Tegen 1908 had Friesz de felle kleuren en lyrische lijnen vrijwel volledig ingeruild voor een meer stoïcijnse stijl, die teruggreep op zijn vroege lessen van Charles-Marie Lhullier en Leon Bonnat, maar ook de compositietheorieën van Cézanne weerspiegelde. In dat jaar keerde hij terug naar zijn Normandië en naar een veel traditionelere schilderstijl, omdat hij had ontdekt dat zijn persoonlijke ambities in de schilderkunst stevig geworteld waren in het verleden. Hij opende zijn eigen atelier in 1912 en gaf les tot 1914, waarna hij zich voor de duur van de oorlog bij het leger voegde. In 1919 keerde hij terug naar Parijs en bleef daar, afgezien van korte uitstapjes naar Toulon en het Juragebergte, tot aan zijn dood in 1949. Gedurende de laatste dertig jaar van zijn leven schilderde hij in een stijl die volledig afweek van die van zijn vroegere collega's en tijdgenoten. Nadat hij de levendige arabesken en briljante kleuren van zijn fauvistische jaren had losgelaten, keerde Friesz terug naar het soberdere palet dat hij in Le Havre had geleerd van zijn professor Charles Lhuillier en naar een vroege bewondering voor Poussin, Chardin en Corot. Hij schilderde op een manier die Cézanne's ideeën over logische compositie, eenvoudige tonaliteit, volumevastheid en een duidelijke vlakverdeling respecteerde. Othon Friesz stierf in Parijs. Hij ligt begraven op het Cimetière du Montparnasse in Parijs. Tot zijn leerlingen behoorde de schilderes Marthe Rakine.
Othon Friesz exposeerde van 1901 tot 1903 in de Salon des Artistes Français en vervolgens in de Salon des Artistes Indépendants. Vanaf 1906 exposeerde hij jaarlijks op de Salon d’Automne, waarvan hij later commissie- en jurylid werd. In 1923 nam hij deel aan de oprichting van de Salon des Tuileries en werd hij hoofd van twee afdelingen van de Salon. Zijn werk is te zien geweest op talloze groepstentoonstellingen over de hele wereld. Hij toonde zijn werk ook in talrijke solotentoonstellingen in Parijs en ver daarbuiten.
Literatuur:
Robert Martin en Odile Aittouarès, Émile Othon Friesz; l’oeuvre peint I, Parijs, 1995
Wereldwijde verzending mogelijk